|
Nieuwe wetgeving over de taakstraf
|
Het Nederlandse strafrecht kent vier hoofdstraffen: gevangenisstraf, hechtenis, taakstraf en geldboete. Deze straffen zijn wettelijk vastgelegd in artikel 9 van het Wetboek van Strafrecht. De taakstraf kan bestaan uit een leerstraf, een werkstraf of een combinatie van een werk- en leerstraf. Wettelijk is geregeld dat een taakstraf maximaal 480 uren mag duren, waarvan niet meer dan 240 uren werkstraf....
Het Nederlandse strafrecht kent vier hoofdstraffen: gevangenisstraf, hechtenis, taakstraf en geldboete. Deze straffen zijn wettelijk vastgelegd in artikel 9 van het Wetboek van Strafrecht. De taakstraf kan bestaan uit een leerstraf, een werkstraf of een combinatie van een werk- en leerstraf. Wettelijk is geregeld dat een taakstraf maximaal 480 uren mag duren, waarvan niet meer dan 240 uren werkstraf.
De afgelopen jaren is de taakstraf, en dan met name de werkstraf, een populaire en veelvuldig door rechters opgelegde straf geworden. Sinds begin van dit jaar is er echter een wetswijziging gekomen waardoor de strafrechter minder vaak een taakstraf kan opleggen.
De invoering van het nieuwe artikel 22b in het Wetboek van Strafrecht heeft tot gevolg dat sinds kort verdachten van ernstige zeden- en geweldsmisdrijven niet meer in aanmerking komen voor enkel een taakstraf. Onder ernstige zeden- en geweldsmisdrijven worden verstaan: · een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaar of meer is gesteld en dat een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer ten gevolge heeft gehad; · een van de misdrijven - met een strafbedreiging lager dan zes jaar - omschreven in de artikelen 181 (ambtsdwang en wederspannigheid met letsel), 240b (kinderpornografie), 248a (verleiding van minderjarige tot ontucht), 248b (prostitutie door minderjarige), 248c (opzettelijk aanwezig zijn bij ontuchtige handelingen door minderjarige) en 250 Wetboek van Strafrecht (koppelarij). Het nieuwe artikel brengt voorts mee dat ook bij soortgelijke recidive (= herhaling) binnen vijf jaren niet enkel een taakstraf meer mag worden opgelegd.
Er is echter in het wetsartikel nog wel een uitzondering geformuleerd: van de hiervoor beschreven beperkingen kan worden afgeweken als naast de taakstraf een onvoorwaardelijke gevangenisstraf (van maximaal zes maanden) of een vrijheidsbenemende maatregel wordt opgelegd. Dit betekent dat voortaan voor bovengenoemde misdrijven dus geen taakstraf gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf meer mag worden opgelegd, welke combinatie van straffen voorheen vaak werd gebruikt en ook door de reclassering aan de rechterlijke macht werd geadviseerd uit het oogpunt van het voorkomen van recidive.
Vele strafrechtadvocaten zullen het nieuwe wetsartikel daarom niet omarmen. Juist in het strafrecht is het van belang dat rechters in individuele gevallen een stukje maatwerk kunnen leveren. Met de invoering van dit wetsartikel worden zij hierin flink beknot.
14 februari 2012
mr. Kristen van Mierlo
Van Zandvoort en Lauwen Advocaten Oss
|
Post by Kristen van Mierlo
|
Sinds vandaag hebben wij ook een officiële fanpage op Facebook: zie
http://www.facebook.com/advocaat.oss, houd onze fanpage in de gaten voor bijzondere acties en of kortingen!
Sinds vandaag hebben wij ook een officiële fanpage op Facebook: zie
http://www.facebook.com/advocaat.oss, houd onze fanpage in de gaten voor bijzondere acties en of kortingen!
|
Post by Jacqueline Lauwen
|
|
Alimentatie en inkomen uit zwarte werkzaamheden
|
Er zijn alimentatiezaken waarin de dingen soms anders lopen dan dat je van te voren hebt ingeschat. Als nieuwe cliënten bij mij komen voor een alimentatiezaak zeg ik altijd: “in alimentatieland draait alles om bewijs dus zorg dat je stukken hebt, zaken zwart op wit, dat je je stellingen kunt bewijzen, anders neemt de rechter het niet aan, die gelooft je immers niet op de kleur van je ogen”.
Er zijn alimentatiezaken waarin de dingen soms anders lopen dan dat je van te voren hebt ingeschat. Als nieuwe cliënten bij mij komen voor een alimentatiezaak zeg ik altijd: “in alimentatieland draait alles om bewijs dus zorg dat je stukken hebt, zaken zwart op wit, dat je je stellingen kunt bewijzen, anders neemt de rechter het niet aan, die gelooft je immers niet op de kleur van je ogen”.
Soms is het anders, en neemt een rechter wel zaken voor waar aan ook al zijn er geen stukken. Zo had ik laatst een zaak waarin ik optrad voor de vrouw en de Rechtbank vroeg partneralimentatie vast te leggen. De man had via zijn advocaat keurig zijn stukken ingediend en aangegeven welk loon hij ontving en welke lasten hij had. Ook werd een alimentatieberekening bij de stukken gedaan en daaruit bleek dat de man geen alimentatie zou kunnen betalen, hij had te weinig draagkracht.
De vrouw had haar zaakjes echter nog mooier op orde en had onder toevoeging van stukken via een lijstje aan de Rechtbank aangegeven welke kosten allemaal werden betaald in de maand. Duidelijk was dat de kosten die per maand werden voldaan in totaal hoger waren dan het loon dat de man maandelijks ontving. De vrouw had geen inkomen. De vrouw gaf als verklaring voor het feit dat deze kosten wel werden gemaakt en al deze uitgaven wel degelijk werden gedaan, dat de man voor een groot deel van zijn werkzaamheden zwart werd betaald. Met deze inkomsten werden al die uitgaven betaald.
In de regel zijn rechters erg terughoudend met het rekening houden met zwart geld omdat zij enkel uitgaan van hetgeen op papier staat. Hier werd in deze zaak echter een uitzondering gemaakt, de vrouw had haar zaakjes zo keurig voor elkaar en de man had eigenlijk geen weerwoord dat de rechtbank niet anders kon dan meegaan in het verhaal van de vrouw. Er werd dus een vrij hoge partneralimentatie toegekend. Het was in deze zaak bovendien gunstig, dat de man erkende dat maandelijks alle kosten werden voldaan zoals door de vrouw geschetst. In deze zaak hadden we dus geluk, het kan ook wel eens anders.
In een zelfde soort procedure trad ik laatst voor de man op. Ook toen werd door de vrouw de Rechtbank gevraagd partneralimentatie vast te leggen. De vrouw stelde zich op het standpunt dat de man inkomen uit loondienst genoot maar daarnaast veel zwart bijwerkte. In deze zaak echter werd niets onderbouwd. Het onderbouwen van ontvangsten als inkomsten uit zwart geld is natuurlijk ook niet gemakkelijk, dat kan alleen met het overleggen van bankafschriften, bonnetjes en een overzicht van uitgaven.
Feit is, dat het moeilijk aan te tonen is wanneer inkomsten in het geheim of zwart worden genoten. Booming business voor detectivebureaus die hiervoor worden ingeschakeld. Er worden heuse observatieteams gebruikt en verslagen gemaakt. Ook worden vaak foto’s gemaakt om aan te kunnen tonen dat er zwart wordt gewerkt. Aan het inschakelen van een detectivebureau hangt natuurlijk ook een bepaald prijskaartje, maar het bewijs dat door de detective wordt verzameld kan prima als bewijs in de alimentatieprocedure worden meegenomen. Zwartwerkers, u bent gewaarschuwd!
mr. Linda van Putten Van Zandvoort & Lauwen Advocaten Oss zie ook http://www.facebook.com/advocaat.oss
|
|
|
|
Wijziging Wet melding collectief ontslag
|
Ook beëindigingsovereenkomsten vallen per 1 maart onder de Wet melding collectief ontslag De regels van de Wet melding collectief ontslag (Wmco) worden met ingang van 1 maart 2012 aangepast. Vanaf die datum zal gelden dat ook ontslagen die een werkgever met een zogenoemde beëindigingsovereenkomst wil realiseren onder de Wmco komen te vallen. Als gevolg van deze wijziging zal...
Ook beëindigingsovereenkomsten vallen per 1 maart onder de Wet melding collectief ontslag De regels van de Wet melding collectief ontslag (Wmco) worden met ingang van 1 maart 2012 aangepast. Vanaf die datum zal gelden dat ook ontslagen die een werkgever met een zogenoemde beëindigingsovereenkomst wil realiseren onder de Wmco komen te vallen. Als gevolg van deze wijziging zal het voor de toepassing van de Wmco niet uitmaken langs welke route een werkgever ontslagen wil realiseren (via het UWV, via de rechter of via een beëindigingsovereenkomst).
De Wmco geldt voor ontslagrondes waarbij binnen drie maanden meer twintig of meer werknemers binnen één van de zes districten van het UWV Werkbedrijf hun baan verliezen. Per 1 maart a.s. wordt de wet aangescherpt. Vanaf die datum vallen ook ontslagen door middel van een beëindigingsovereenkomst met wederzijds goedkeuren onder de werking van de wet. Dat is nu nog niet het geval. Werkgevers kunnen de Wmco nu nog ontwijken door een aantal werknemers zo’n overeenkomst aan te bieden. Als daardoor het aantal gedwongen ontslagen onder de twintig uitkomt, hoeft een werkgever dat ontslag niet te melden.
In het wetsvoorstel wordt ook geregeld dat als achteraf blijkt dat de verplichtingen uit de Wmco niet nageleefd worden, de ontslagen vernietigd worden en de werknemers hun baan behouden.
|
Post by Jacqueline Lauwen
|
|
Verschijningsplicht voor ouders in strafzaken van minderjarigen
|
Op 15 mei 2008 schreef ik op onze website al eens een blog over het jeugdstrafrecht. Vorig jaar is er, met name voor de ouders, een belangrijke wijzing ingevoerd. Met ingang van 1 januari 2011 is namelijk, als onderdeel van de Wet versterking positie slachtoffers, een verschijningsplicht voor de ouders in werking getreden.
Minderjarigen die ervan worden verdacht een misdrijf te...
Op 15 mei 2008 schreef ik op onze website al eens een blog over het jeugdstrafrecht. Vorig jaar is er, met name voor de ouders, een belangrijke wijzing ingevoerd. Met ingang van 1 januari 2011 is namelijk, als onderdeel van de Wet versterking positie slachtoffers, een verschijningsplicht voor de ouders in werking getreden.
Minderjarigen die ervan worden verdacht een misdrijf te hebben gepleegd ontvangen doorgaans een dagvaarding om te verschijnen op een zitting van de kinderrechter. Sinds 1 januari 2011 ontvangen de ouders van deze minderjarigen een afzonderlijke brief van de rechter waarin de ouders allebei worden opgeroepen om tijdens de zitting aanwezig te zijn. Deze verschijningsplicht, die wettelijk is vastgelegd in artikel 496a van het Wetboek van Strafvordering, geldt ook voor de voogd van een minderjarige. Gemakshalve zal ik hierna alleen spreken over de ouders.
Wanneer de ouders niet op de zitting verschijnen en daardoor niet aan hun verschijningsplicht voldoen, zal de rechter in principe de behandeling van de strafzaak van de minderjarige aanhouden en de medebrenging (door de politie) bevelen van de ouders. Op dit risico worden de ouders ook gewezen in de brief die zij van de rechter ontvangen. In de gesprekken die ik met mijn minderjarige cliënten en hun ouders voer voorafgaand aan de zitting, wijs ik de ouders nogmaals op hun verschijningsplicht. Vaak stellen de ouders hierover zelf ook al vragen aan mij.
De gedachte achter de invoering van de verschijningsplicht is dat de (verplichte) aanwezigheid van de ouders op de zitting een bijdrage zou kunnen leveren aan de oplossing van eventuele (gedrags)problemen bij de minderjarige en aan het voorkomen van recidive (herhaling). Vóór de invoering van de verschijningsplicht waren de meningen van professionals hierover verdeeld. Desalniettemin is de verschijningsplicht voor ouders vorig jaar toch ingevoerd.
Heeft uw kind onlangs een dagvaarding ontvangen, houdt er dan dus rekening mee dat deze strafzaak ook verplichtingen schept voor u als ouder(s)!
23 januari 2012
mr. Kristen van Mierlo
Van Zandvoort en Lauwen Advocaten Oss
|
Post by Kristen van Mierlo
|
Studiekostenbeding
Werkgevers investeren vaak in werknemers op het gebied van kennis en vaardigheden. De werkgevers die dat doen willen werknemers uiteraard aan zich kunnen binden, hoewel de werknemer in beginsel is vrij om zijn kennis, ervaring en vaardigheden mee te nemen. De werkgever kan met de werknemer een opleidingskostenbeding overeenkomen, maar hoe zit met de vereisten waaraan...
Studiekostenbeding
Werkgevers investeren vaak in werknemers op het gebied van kennis en vaardigheden. De werkgevers die dat doen willen werknemers uiteraard aan zich kunnen binden, hoewel de werknemer in beginsel is vrij om zijn kennis, ervaring en vaardigheden mee te nemen. De werkgever kan met de werknemer een opleidingskostenbeding overeenkomen, maar hoe zit met de vereisten waaraan een dergelijk beding moet voldoen, wil een werkgever daar met succes een beroep op kunnen doen?
Een opleidings- of studiekostenbeding is een beding waarbij de werkgever en de werknemer overeenkomen dat de werknemer (meestal) bij het einde van de arbeidsovereenkomst studiekosten aan de werkgever terugbetaalt. Vaak verplicht de werknemer zich om alleen onder bepaalde voorwaarden terug te betalen, bijvoorbeeld wanneer de werknemer de arbeidsovereenkomst opzegt (al dan niet binnen een bepaalde periode na het afronden van de opleiding), wanneer de werknemer de werkgever een dringende reden voor het eindigen van zijn arbeidsovereenkomst heeft gegeven, of wanneer de werknemer de opleiding niet met goed gevolg afsluit. De omvang van de terugbetalingsplicht varieert, van studiekosten ‘in enge zin’ zoals studiemateriaal, inschrijf- en examenkosten tot ‘alle’ studiekosten, waaronder loon voor de periode waarin de opleiding is genoten en de werkzaamheden niet zijn verricht.
Wettelijk kader
Wettelijke regels – los van het algemeen verbintenissenrecht- zijn niet van toepassing op het studiekostenbeding en partijen zijn in beginsel vrij overeen te komen wat zij willen. In de praktijk blijkt dat rechters in het kader van ‘goed werkgeverschap’ artikel 7:611 BW of de ‘redelijk en billijkheid’ artikel 6:248 lid 2 BW veelal de bedingen matigen of tenietdoen. In een klassiek arrest heeft de Hoge Raad voorwaarden gesteld waaraan het studiekostenbeding zou moeten voldoen.
Voorwaarden studiekostenbeding
De Hoge Raad heeft in het arrest Muller Zeesleepdienst/Van Opzeeland (HR 10 juni 1983, NJ 1983, 796) bepaald dat het systeem van de wet zich niet zonder meer verzet tegen bedingen die de werknemer verplichten alle studiekosten terug te betalen. De Hoge Raad stelt wel voorwaarden, zowel voorwaarden aan het beding zelf als bijkomende voorwaarden.
Voorwaarden aan het beding zelf zijn: 1. vaststelling van de periode waarin de werkgever geacht wordt baat te hebben bij de door de studie opgedane kennis en vaardigheden, 2. (uitdrukkelijke) vaststelling van de verplichting van de werknemer om, indien de arbeidsovereenkomst tijdens of onmiddellijk na afloop van de studieperiode eindigt, het loon over die periode aan de werkgever terug te betalen, 3. de terugbetalingsverplichting moet tijdens de vastgestelde periode evenredig afnemen (dus een glijdende schaal bevatten).
De Hoge Raad begrenst het studiekostenbeding verder door randvoorwaarden te stellen: 1. bijzondere wettelijke regels kunnen grenzen stellen aan hetgeen partijen kunnen overeenkomen, bijvoorbeeld de WMM, 2. een studiekostenbeding heeft voor de werknemer zulke ernstige gevolgen dat dit duidelijk aan hem uiteengezet moet zijn, 3. het initiatief voor het ontslag ligt niet bij de werkgever.
Recente lagere rechtspraak
In lagere rechtspraak, bijvoorbeeld in JAR 2008/303 oordeelde de Kantonrechter te Haarlem dat de consequenties van het beding aan werkneemster niet voldoende uiteengezet waren. Werkgever, een deurwaarderskantoor had aan werkneemster, een incassomedewerkster, niet duidelijk uitgelegd wat hij bedoelde met het moeten terugbetalen van ‘verzuimuren’. Werkgever vorderde in totaal bijna € 18.000,--, bestaande uit lesgeld, literatuur, reiskosten en verzuimuren. Werkneemster diende uiteindelijk wel ruim € 5.000,-- terugbetalen aan lesgeld, literatuurkosten en reiskosten, maar niet aan verzuimuren.
Bij de Kantonrechter Amersfoort speelde de kwestie waarin de werkgever het initiatief had genomen het dienstverband (jaarcontract) niet voort te zetten, aangezien hij ontevreden was over de prestaties van de werknemer. Werkgever had bij de eindafrekening een bedrag van € 1.441,58 ingehouden wegens studiekosten. De werknemer vorderde met succes terugbetaling van de inhouding. De Kantonrechter overwoog dat door de terugbetalingsverplichting het werkelijk genoten loon van de werknemer onder het wettelijk minimum loon daalde en dus in strijd was met artikel 8 WMM. Het leverde daarom een nietige rechtshandeling op JAR 2009/132.
In JAR 2009/137 oordeelde de Kantonrechter te Utrecht dat er een geldig studiekostenbeding was overeengekomen tussen Rabobank en een (ex-)trainee-accountmanager. Er was immers sprake van een vermindering van de terugbetalingsverplichting van de werknemer naar evenredigheid van het voortduren van de arbeidsovereenkomst. In de van toepassing zijnde Rabobank-CAO stond echter een regeling opgenomen waarin staat dat alleen kosten voor een ‘carrièregerichte opleiding’ hoefden worden terugbetaald. Volgens de kantonrechter was in dit geval géén sprake van een carrièregerichte opleiding (trainee opleiding), maar een opleiding voor aanstaande en nieuwe personeelsleden die hun op hun werkzaamheden bij de werkgever moesten worden voorbereid.
Het is dus niet altijd zo eenvoudig om als werkgever de gemaakte studiekosten terug te vorderen.
Mr. Jacqueline Lauwen
Van Zandvoort & Lauwen Advocaten Oss http://zandvoortlauwen.nl/advocaten
|
Post by Jacqueline Lauwen
|
In steeds meer echtscheidingszaken komt het voor dat zogenaamde ‘viergesprekken’ worden gehouden. Nadat tussen advocaten over en weer wat is gecorrespondeerd over de standpunten van cliënten aangaande de aan de echtscheiding gerelateerde onderwerpen, wordt door een van de advocaten voorgesteld een viergesprek te houden. Dat houdt in dat cliënten samen met hun advocaat (met zijn vieren) om...
In steeds meer echtscheidingszaken komt het voor dat zogenaamde ‘viergesprekken’ worden gehouden. Nadat tussen advocaten over en weer wat is gecorrespondeerd over de standpunten van cliënten aangaande de aan de echtscheiding gerelateerde onderwerpen, wordt door een van de advocaten voorgesteld een viergesprek te houden. Dat houdt in dat cliënten samen met hun advocaat (met zijn vieren) om de tafel gaan zitten om zo veel mogelijk punten rondom de echtscheiding met elkaar te bespreken en vast te leggen.
Het is vaak een voordeel om een dergelijk gesprek te laten plaatsvinden omdat partijen dan in korte lijnen met elkaar kunnen overleggen over de zaken die geregeld moeten worden, welke zaken partijen samen of zelf zullen regelen en wat de advocaat moet doen (bijvoorbeeld alimentatieberekeningen maken). Een viergesprek voorkomt vaak een hele berg aan correspondentie en het verzanden in gerechtelijke procedures.
Partijen zijn soms bang om met hun partner geconfronteerd te worden in een dergelijk viergesprek. De advocaten zijn er echter juist voor om te behoeden dat partijen ruzie met elkaar gaan zitten maken en om het gesprek in goede banen te leiden. Nu ieder der partijen een eigen advocaat heeft, behoeft ook geen gevaar te bestaan, wat bij een echtscheiding op gezamenlijk verzoek waarbij een advocaat de belangen van beide partijen behartigt nog wel eens gebeurt, dat een der partijen zou worden bevoordeeld of zou worden ‘voorgetrokken’, iedere advocaat is er voor om de belangen van zijn/haar cliënt alleen te behartigen. De advocaat zal echter wel ingrijpen mocht een cliënt iets willen dat echt niet kan. Tijdens het viergesprek bestaat ook altijd de mogelijkheid om even een time-out te vragen en om je terug te trekken met je eigen advocaat om bijvoorbeeld even te overleggen over het een of ander.
Van belang is een dergelijk gesprek goed voor te bereiden opdat zoveel mogelijk punten kunnen worden gesproken. Met betrekking tot de eventuele alimentatie die moet worden betaald is het wenselijk dat voorafgaand aan het te houden viergesprek al tussen partijen financiële stukken zijn uitgewisseld en een berekening/ berekeningen is/zijn gemaakt en dat hier tijdens het viergesprek concreet over kan worden gesproken.
Het meest wenselijk is het dan om na het viergesprek de gemaakte afspraken over en weer tussen de advocaten te (laten) bevestigen en zo mogelijk het een en ander te lasten vastleggen in een echtscheidingsconvenant en de afspraken rondom de kinderen in een ouderschapsplan dat dan bij het echtscheidingsverzoek aan de Rechtbank kan worden toegestuurd. De echtscheidingsprocedure verloopt dan helemaal schriftelijk, er behoeft geen mondelinge behandeling plaats te vinden.
Zou het tijdens het viergesprek niet lukken om afspraken te maken met elkaar, kan de Rechtbank altijd nog beslissen, ook tijdens de procedure bij de Rechtbank (tijdens de mondelinge behandeling) kan het echter voorkomen dat de Rechtbank kan vragen of partijen zich wellicht tot een mediator willen wenden opdat hij/zij kan bezien of partijen in onderling overleg met elkaar tot overeenstemming kunnen komen.
Mr. Linda van Putten-van den Heuvel. Van Zandvoort&Lauwen advocaten zie http://zandvoortlauwen.nl/index.php?option=com_content&view=category&layout=blog&id=35&Itemid=54#familierecht
|
|
|
|
Consultatierecht geldt ook bij detentie
|
Enkele dagen geleden heeft de meervoudige strafkamer van de Rechtbank ’s-Hertogenbosch uitspraak gedaan in een strafzaak en geoordeeld dat de “Salduznorm” ook van toepassing is op een verdachte die uit hoofde van een opgelegde gevangenisstraf in een andere strafzaak verblijft in een penitentiaire inrichting.
De “Salduznorm” komt er kort gezegd op neer dat een aangehouden verdachte...
Enkele dagen geleden heeft de meervoudige strafkamer van de Rechtbank ’s-Hertogenbosch uitspraak gedaan in een strafzaak en geoordeeld dat de “Salduznorm” ook van toepassing is op een verdachte die uit hoofde van een opgelegde gevangenisstraf in een andere strafzaak verblijft in een penitentiaire inrichting.
De “Salduznorm” komt er kort gezegd op neer dat een aangehouden verdachte voorafgaand aan het verhoor door de politie over een strafbaar feit, de gelegenheid moet hebben een advocaat te raadplegen. Voor de aanvang van het verhoor moet de verdachte door de politie op dit consultatierecht worden gewezen.
In de strafzaak waarin de rechtbank ’s-Hertogenbosch op 20 december 2011 uitspraak heeft gedaan deed de advocaat van de verdachte een beroep op schending van de “Salduznorm”. De advocaat stelde dat de verdachte ten tijde van het verhoor in een penitentiaire inrichting verbleef. Hierdoor was de verdachte niet in staat om zich voorafgaand aan het verhoor door de politie, dat plaatsvond in de penitentiaire inrichting, te laten bijstaan door een advocaat. Om deze reden was er volgens de advocaat sprake van een vormverzuim en mocht de door de verdachte tijdens zijn verhoor afgelegde verklaring niet voor het bewijs worden gebruikt.
De officier van justitie was het hiermee niet eens en stelde zich op het standpunt dat de “Salduznorm” in deze zaak niet was geschonden omdat de verdachte ten tijde van het afleggen van zijn verklaring niet was aangehouden en in vrijheid kon bepalen of hij een verklaring wilde afleggen. De verdachte was daarbij gewezen op zijn zwijgrecht. De omstandigheid dat de verdachte op dat moment was gedetineerd, maakte dat volgens de officier van justitie niet anders.
De rechtbank oordeelde dat de verklaring van de verdachte alleen voor het bewijs kan worden gebruikt als er geen sprake is van schending van de “Salduznorm”. Als deze norm van toepassing is en wordt geschonden, dan moet op basis van vaste rechtspraak bewijsuitsluiting van de verklaring van de verdachte volgen. Met de advocaat was de rechtbank van oordeel dat de “Salduznorm” in deze zaak wel van toepassing is. Een verdachte kan zich immers tijdens een verblijf in een penitentiaire inrichting niet in vrijheid bewegen en diens mogelijkheden om een advocaat te consulteren zijn daardoor erg beperkt. Deze situatie is daarom volgens de rechtbank vergelijkbaar met die van een aangehouden verdachte. In deze omstandigheid moet een verdachte worden gewezen op het consultatierecht van een advocaat en moet de verdachte in de gelegenheid worden gesteld gebruik te maken van dit consultatierecht als de verdachte dat wenst. Kortom, de rechtbank vond dat ook hier de “Salduznorm” was geschonden waardoor de verklaring van de verdachte moest worden uitgesloten van het bewijs. Dit leidde tot een vrijspraak van de verdachte.
Het is nu even afwachten of de officier van justitie tegen deze vrijspraak in hoger beroep zal gaan. Ik ben benieuwd!
Bron: Rechtbank ’s-Hertogenbosch 20 december 2011, LJN: BU8750
mr. Kristen van Mierlo
Van Zandvoort en Lauwen Advocaten Oss
|
Post by Kristen van Mierlo
|
|
Inlevering lease-auto bij ziekte?
|
Na terugkomst van mijn vakantie nam een zieke werknemer contact met mij op, en legde mij het volgende voor.
Werknemer was reeds geruime tijd werkzaam, en nu sinds enkele maanden ziek thuis. Voor de uitvoering van zijn werkzaamheden als schade-expert, had hij de beschikking over een auto, die hij ook privé mocht gebruiken. Werkgever had hem nu verzocht zijn auto in te leveren, hij was...
Na terugkomst van mijn vakantie nam een zieke werknemer contact met mij op, en legde mij het volgende voor.
Werknemer was reeds geruime tijd werkzaam, en nu sinds enkele maanden ziek thuis. Voor de uitvoering van zijn werkzaamheden als schade-expert, had hij de beschikking over een auto, die hij ook privé mocht gebruiken. Werkgever had hem nu verzocht zijn auto in te leveren, hij was immers toch ziek thuis en had de auto niet nodig. Moest hij gehoor geven aan het verzoek van zijn baas?
Een zieke werknemer heeft recht heeft op doorbetaling van loon op grond van artikel 7:629 lid 1 BW, de eerste vraag die moet worden beantwoord, is of de terbeschikkingstelling van een leaseauto kan worden aangemerkt als loon. De auto die ook privé mag worden gebruikt, kan op grond van artikel 7:617 lid 1 sub b BW beschouwd worden als “loon in natura”. Uit uitspraken van rechters blijkt ook dat het privé-gebruik van de bedrijfsauto als een secundaire arbeidsvoorwaarde wordt aangemerkt (zie Kantonrechter Utrecht, 15 juli 2005).
Doorbetaling van loon in natura, kan niet worden gestoeld op artikel 7:629 BW, omdat dit enkel betrekking heeft op geldloon, maar zowel uit de literatuur als uit uitspraken van rechters blijkt, dat werknemers ook tijdens ziekte hun rechten blijven behouden op secundaire arbeidsvoorden. Een werkgever mag van deze regel overigens wel afwijken, mits hierover vooraf heldere afspraken zijn gemaakt. Ook zonder mogelijkheid tot afwijking, kan de werkgever gerechtigd zijn tot terugvordering van de auto, maar hiervoor moet dan wel een gerechtvaardigd belang van de werkgever aanwezig zijn, en zal de werkgever gehouden zijn de werknemer financieel te compenseren.
Nadat ik een en ander aan de werkgever had verduidelijkt, mocht de werknemer zijn lease-auto gelukkig houden, zodat het probleem was opgelost! Vragen? Bel gerust, Mr. Jacqueline Lauwen, specialist arbeidsrecht Oss, Lid VAAN, zie
http://zandvoortlauwen.nl/advocaten
|
Post by Jacqueline Lauwen
|
|
Vrijgesproken? Toch opnieuw vervolgen?!
|
Wetsvoorstel herziening ten nadele
Onlangs schaarde een meerderheid van de Tweede Kamer zich achter een wetsvoorstel waardoor het mogelijk wordt om in bepaalde gevallen een vrijgesproken verdachte opnieuw te vervolgen op het moment dat er nieuw bewijs is opgekomen. De reden voor het indienen van het wetsvoorstel was een dringend verzoek van het Openbaar Ministerie in Rotterdam dat vorig...
Wetsvoorstel herziening ten nadele
Onlangs schaarde een meerderheid van de Tweede Kamer zich achter een wetsvoorstel waardoor het mogelijk wordt om in bepaalde gevallen een vrijgesproken verdachte opnieuw te vervolgen op het moment dat er nieuw bewijs is opgekomen. De reden voor het indienen van het wetsvoorstel was een dringend verzoek van het Openbaar Ministerie in Rotterdam dat vorig jaar bewijs in handen kreeg waarmee een eerder vrijgesproken verdachte van een overval alsnog voor moord had kunnen worden veroordeeld.
Het wetsvoorstel stuit met name in de advocatuur op kritiek. Dit heeft te maken met het zogenaamde “ne bis in idem”-beginsel dat is vastgelegd in artikel 68 Wetboek van Strafrecht en dat betekent dat iemand niet tweemaal strafrechtelijk mag worden vervolgd voor hetzelfde strafbare feit. Dit beginsel geldt echter niet voor gevallen waarin rechterlijke uitspraken voor herziening vatbaar zijn. Tot nu toe betekende dit enkel een herziening ten voordele van de veroordeelde. Met dit wetsvoorstel lijkt daar verandering in te komen en daarom wordt bij het nieuwe wetsvoorstel ook wel gesproken over “herziening ten nadele” van een verdachte.
Het vorige kabinet wilde een nieuwe vervolging na vrijspraak al regelen voor misdrijven waarop een levenslange gevangenisstraf staat en waarbij een dodelijk slachtoffer is gevallen. Minister Opstelten (van Veiligheid en Justitie) heeft het wetsvoorstel inmiddels uitgebreid, in die zin dat de Wet herziening ten nadele ook mogelijk wordt gemaakt voor doodslag, gewelds- en zedendelicten met dodelijke afloop. Wel moet er dan uiteraard sprake zijn van een novum in de vorm van belastend nieuw bewijs. Herziening ten nadele is echter niet mogelijk bij verjaarde strafbare feiten. Het kan dus enkel een rol spelen bij strafbare feiten waarbij de verjaringstermijn nog loopt.
Een strafrechtelijke procedure brengt vaak voor de verdachte en diens familie veel spanningen met zich mee. Er wordt toegeleefd naar een bepaalde eindzitting met daarop volgend de uitspraak waarna de verdachte de zaak kan verwerken en afsluiten. Wanneer politie en justitie telkens weer onderzoek kan (blijven) doen naar een bepaald strafbaar feit ondanks dat de verdachte daarvoor onherroepelijk is vrijgesproken, dan betekent dat een flinke aantasting van de rechtszekerheid. Hierdoor kunnen verdachten en hun familie naar verwachting een zaak na een einduitspraak toch niet goed afsluiten. Deze aantasting van de rechtszekerheid is ook een belangrijk punt van kritiek vanuit de strafrechtadvocatuur op het wetsvoorstel. Ondanks deze kritiek, heeft zoals gezegd, een meerderheid van de Tweede Kamer zich inmiddels toch voorstander getoond van het wetsvoorstel. Mochten er zich nog opmerkelijke ontwikkelingen rondom dit wetsvoorstel voordoen, dan zal ik er bij u op terugkomen.
20 december 2011
Mr K. van Mierlo
Van Zandvoort en Lauwen Advocaten Oss
|
Post by Kristen van Mierlo
|
Ouderschapsplan
Een tijd geleden is de Wet Bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding in werking getreden. (Voor de volledige wettekst verwijzen u graag naar de volgende website: http://eb.sdu.nl/eb/show.do?key=STB11985&type=op)
Achterliggende gedachten bij deze wet zijn: - het is voor de ontwikkeling van een kind belangrijk...
Ouderschapsplan
Een tijd geleden is de Wet Bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding in werking getreden. (Voor de volledige wettekst verwijzen u graag naar de volgende website: http://eb.sdu.nl/eb/show.do?key=STB11985&type=op)
Achterliggende gedachten bij deze wet zijn: - het is voor de ontwikkeling van een kind belangrijk dat het, ook na scheiding van zijn/haar ouders, contact heeft met beide ouders en dat de ouders zich gezamenlijk verantwoordelijk blijven voelen voor zijn/haar verzorging, opvoeding en ontwikkeling. - uitgangspunt bij de aanpak van de scheiding- en omgangsproblematiek is dat de ouders zich gezamenlijk verantwoordelijk (blijven) voelen voor de verzorging, opvoeding en ontwikkeling van hun kinderen voor én na de scheiding. Het opstellen van een ouderschapsplan, al dan niet met behulp van mediation, past binnen deze verantwoordelijkheid.
Het ouderschapsplan is een belangrijk onderdeel van deze wet. Gedurende het opstellen van het ouderschapsplan worden de ouders gedwongen ten minste na te denken over welke invulling zij willen geven aan het ouderlijk gezag na scheiding. Uit de praktijk blijkt dat een groot aantal punten van belang zijn om te bespreken: - de dagelijkse zorg voor de kinderen; - school; - sport; - medische zorg; - vakantie; - bijzondere dagen zoals verjaardagen e.d.; - financiën; - communicatie tussen de ouders; - halen en brengen van de kinderen.
Wat betekent dit voor de praktijk? Hieronder wordt op een groot aantal vragen die momenteel met betrekking tot het ouderschapsplan worden gesteld een antwoord gegeven.
Welke onderwerpen bevat het ouderschapsplan? De ouders maken in het ouderschapsplan in ieder geval over drie onderwerpen afspraken: 1. de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (zorgverdeling), 2. kinderalimentatie, en 3. informatie-uitwisseling over belangrijke aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van de minderjarige kinderen. Het staat ouders vrij om daarnaast ook andere afspraken in het ouderschapsplan vast te leggen.
Moet altijd een ouderschapsplan worden opgesteld ongeacht de relatievorm? Ja, het maakt niet uit welke juridische vorm de relatie heeft (gehuwd, geregistreerd partnerschap of samenwonend). Alleen geldt in geval van samenwoners dat de verplichting alleen geldt als zij het ouderlijk gezag gezamenlijk uitoefenen.
Voor welke kinderen moet een ouderschapsplan worden opgesteld? De wet bepaalt dat een ouderschapsplan moet worden opgesteld voor: · de gezamenlijke minderjarige kinderen over wie de echtgenoten of geregistreerde partners al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Voor samenwoners geldt dit alleen als zij het ouderlijk gezag gezamenlijk uitoefenen; · de minderjarige kinderen over wie de echtgenoten of geregistreerde partners volgens artikel 253sa of 253t van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek het gezag gezamenlijk uitoefenen. Een ouderschapsplan gaat over minderjarige kinderen. Zijn de kinderen volwassen als de ouders uit elkaar gaan dan hoeft geen ouderschapsplan te worden opgesteld. Voor minderjarige kinderen die bijna meerderjarig zijn geldt de verplichting wel maar kan het ouderschapsplan beperkter zijn. Een ouderschapsplan is niet nodig voor alle kinderen die deel uitmaken van het gezin. Om welke kinderen gaat het dan wel? Het gaat ten eerste om de gezamenlijke kinderen van de ouders. Dit wil zeggen dat degenen die uit elkaar gaan allebei de juridische ouder zijn van het kind. Het maakt hierbij niet uit of zij gezamenlijk het gezag uitoefenen of slechts één van de twee ouders dit doet. Ten tweede gaat het om kinderen over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij samengestelde gezinnen waarbij de ouder en zijn of haar nieuwe partner gezamenlijk het gezag hebben verkregen over het kind uit een eerdere relatie. Dit kan ook voorkomen in een relatie van twee vrouwen waarbinnen een kind wordt geboren en de niet-ouder (‘mee-moeder’ of ‘duo-moeder’) weliswaar het gezag heeft over het kind maar niet tevens de juridische ouder is. Voor kinderen die wel deel uitmaken van het gezin maar waarvoor het bovenstaande niet geldt, is het dus wettelijk niet verplicht een ouderschapsplan op te stellen. Uiteraard mag dit wel. Moet onder het ouderschapsplan de handtekening van beide ouders staan? Ja, onder het ouderschapsplan -hoewel de wet dit niet meer met zoveel woorden aangeeft- moet de handtekening van beide ouders staan.
Kun je toch scheiden als het niet lukt een ouderschapsplan op te stellen? Het zal niet in alle gevallen lukken overeenstemming te bereiken over een ouderschapsplan. Dit betekent echter niet dat de scheiding niet kan worden doorgezet. Als dit niet lukt, bestaat de mogelijkheid om een eenzijdig verzoekschrift in te dienen waardoor de toegang tot de rechter altijd is gegarandeerd. Wel zal de ouder in dat geval in zijn of haar verzoek moeten aangeven waarom het niet is gelukt een ouderschapsplan op te stellen en hoe hij of zij vindt dat de onderwerpen uit het ouderschapsplan moeten worden ingevuld. De andere ouder kan dan eventueel verweer voeren.
Vanaf welke datum moet een verzoekschrift een ouderschapsplan bevatten? Ieder verzoekschrift dat op of na 1 maart 2009 wordt ingediend, moet een ouderschapsplan bevatten. De verzoekschriften die voor die datum aanhangig zijn gemaakt maar nog niet zijn behandeld, hoeven geen ouderschapsplan te bevatten. Voor hoger beroep geldt dat slechts de appelverzoeken tegen beschikkingen van rechtbanken die zijn gebaseerd op verzoeken die op of na 1 maart 2009 bij de rechtbank zijn ingediend, een ouderschapsplan moeten bevatten. In hoeverre moeten de kinderen worden betrokken bij het opstellen van een ouderschapsplan? De wet bepaalt dat het verzoekschrift vermeldt op welke wijze de kinderen zijn betrokken bij het opstellen van het ouderschapsplan. In hoeverre dit mogelijk is, is afhankelijk van de leeftijd en de ontwikkeling van het kind. Het is dus mogelijk dat in het verzoekschrift staat dat de kinderen niet zijn betrokken gezien hun jonge leeftijd. Voor oudere kinderen geldt wel dat de ouders of advocaat het ouderschapsplan met hen bespreekt. Kunnen ouders worden gedwongen naar een mediator te gaan? De rechter kan de echtgenoten naar een mediator verwijzen als het verzoekschrift of de behandeling bij de rechter daartoe aanleiding geeft. Doel is de echtgenoten in onderling overleg afspraken te laten maken over één of meer gevolgen van de echtscheiding. Als de ouders dit echter weigeren, kan de rechter hen hiertoe niet dwingen. Zorg- en opvoedingstaken en omgang bij scheiding? De term ‘verdeling van de zorg- en opvoedingstaken’ is gereserveerd voor de ouder met gezag. De term ‘omgang’ voor een ouder zonder gezag of een derde, bijvoorbeeld de biologische ouder of grootouders. Hier vindt u het antwoord op veelgestelde vragen over dit onderwerp. Wat is het verschil tussen de termen verdeling van zorg- en opvoedingstaken en omgang? Inhoudelijk zijn de termen vergelijkbaar maar ze worden gehanteerd voor verschillende doelgroepen. De term ‘verdeling van de zorg- en opvoedingstaken’ is gereserveerd voor de ouder met gezag. De term ‘omgang’ voor een ouder zonder gezag of een derde, bijvoorbeeld de biologische ouder of grootouders. Er is één belangrijk verschil. Een ouder met gezag kan slechts tijdelijk het contact met zijn of haar kind worden ontzegd, terwijl een ouder zonder gezag of een derde de omgang voor onbepaalde tijd kan worden ontzegd.
Kan een ouder met gezag op grond van artikel 377a omgang vragen? Nee, dit kan niet. Artikel 377a (van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek) is alleen van toepassing op een ouder zonder gezag of een derde, bijvoorbeeld de biologische ouder of grootouders. Wel kan de ouder met gezag de rechter verzoeken een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen. Dit wordt ook wel een zorgregeling genoemd. De ouder kan dit verzoek doen op grond van het tweede lid van artikel 253a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Kan de rechter een dwangmiddel opleggen om de zorg- of omgangsregeling af te dwingen? De rechtbank kan als het belang van het kind zich daartegen niet verzet, een door de wet toegelaten dwangmiddel opleggen. Ook kan de rechter bepalen dat de beschikking, of onderdelen daarvan, met inschakeling van de politie uitgevoerd kan worden (op basis van artikel 812, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Kunnen grootouders ook een omgangsregeling vragen? De grootouders kunnen een verzoek doen tot het vaststellen van een omgangsregeling (op grond van artikel 377a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek). Hiervoor is wel vereist dat zij in een nauwe persoonlijke betrekking staan tot het kind. Dit is bijvoorbeeld aan de orde als het kleinkind bij de grootouders in huis heeft gewoond. Het bestaan van een nauwe persoonlijke betrekking wordt niet aangenomen enkel op grond van het zijn van grootouders. Als de rechter vaststelt dat sprake is van die nauwe persoonlijke betrekking zal vervolgens moeten worden beoordeeld of omgang, en zo ja, welke omgangsregeling concreet in het belang van het kind is. De omgang kan worden ontzegd als een ontzeggingsgrond aanwezig is. De beoordeling is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij de mate van contact zoals dit heeft plaats gevonden van belang is. Ook van belang is bijvoorbeeld de mate van gehechtheid van het kind aan degene die de omgangsregeling verzoekt en de praktische uitvoerbaarheid van een omgangsregeling. De omgangsregeling is qua omvang steeds maatwerk. (Bron: www.justitie.nl)
mr. Ad van Zandvoort
|
|
|
|
Ontbinding arbeidsovereenkomst op verzoek werknemer
|
Vorige week stond ik een cliënt bij, die (op zijn verzoek) de arbeidsovereenkomst met Jumbo Supermarkten wilde beëindigen, en daarbij tevens aan de rechter om een ontbindingsvergoeding vroeg. Het is een vrij uitzonderlijke situatie dat namens een werknemer zelf om ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt verzocht, omdat rechters dan niet snel geneigd zijn een vergoeding aan de werknemer toe...
Vorige week stond ik een cliënt bij, die (op zijn verzoek) de arbeidsovereenkomst met Jumbo Supermarkten wilde beëindigen, en daarbij tevens aan de rechter om een ontbindingsvergoeding vroeg. Het is een vrij uitzonderlijke situatie dat namens een werknemer zelf om ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt verzocht, omdat rechters dan niet snel geneigd zijn een vergoeding aan de werknemer toe te kennen. In dit geval oordeelde de rechter gelukkig anders.
Werknemer was sinds eind 2005 uitgevallen in verband met rugklachten, en had gedurende zijn periode van arbeidsongeschiktheid op alle mogelijke manieren meegewerkt aan zijn reïntegratie. Van de zijde van Jumbo was diverse keren verzuimd om aan de werknemer passende arbeid aan te bieden, en de werknemer werd door de UWV gegeven deskundigenoordelen dan ook telkenmale in het gelijk gesteld. Gedurende een lange periode werd door de werknemer aangepast werk verricht, en terwijl al duidelijk was dat de werknemer niet in zijn eigen functie zou kunnen terugkeren, werd door Jumbo weinig ondernomen om de werknemer in een andere functie in te passen (terwijl je bij een dergelijk grote organisatie toch zou mogen verwachten dat er voldoende functies voorhanden zouden zijn!). Omscholing door middel van opleiding werd door Jumbo enkel aangeboden, onder de voorwaarde dat werknemer ermee in zou stemmen om de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Voor een werknemer is dit echter niet zonder gevaar, aangezien hij alsdan het risico loopt om zijn uitkering te verliezen, reden waarom ook deze werknemer hier niet mee instemde.
Ook het UWV oordeelde na 2 jaar ziekte, dat Jumbo had gefaald in haar reïntegratieverplichtingen, reden waarom aan Jumbo een verlengde loondoorbetalingsverplichting werd opgelegd. Ondanks dit alles, liet Jumbo weer na gedurende een periode van 3 maanden reïntegratieactiviteiten te verrichten. Mijn cliënt had geen vertrouwen meer in zijn werkgever, wat nog werd versterkt, doordat Jumbo gedurende zijn arbeidsongeschiktheid met regelmaat te weinig salaris voldeed, en ook ten onrechte vakantiedagen afboekte.
Reden waarom we deze situatie aan de Kantonrechter hebben uiteengezet, en hebben gevraagd de arbeidsovereenkomst te ontbinden onder toekenning van een vergoeding aan client. Ook de Kantonrechter oordeelde dat Jumbo te weinig reïntegratieinspanningen had verricht. De Kantonrechter vond, dat de werknemer terecht het vertrouwen in de werkgever had verloren, en vond dit te verwijten aan de werkgever. Aan de werknemer werd dan ook een ontbindingsvergoeding toegekend, met een correctiefactor van 1,5, waarmee tot uitdrukking werd gebracht, dat Jumbo verwijtbaar had gehandeld.
Jacqueline Lauwen, Van Zandvoort&Lauwen advocaten Oss, zie www.zandvoortlauwen.nl
|
Post by Jacqueline Lauwen
|
|